SKBN ondersteunt meerdere onderzoeken die door kennisinstellingen worden uitgevoerd:

Fontys Hogeschool en Hogeschool Arnhem Nijmegen

Al meer dan honderd jaar zijn bedrijventerreinen dé aangewezen locatie om te ondernemen en te produceren. In Nederland zorgen zo’n 3.500 terreinen (> 80.000 hectare) voor meer dan 30% van de werkgelegenheid. Grote effecten zijn te bewerkstellingen op het gebied van de circulaire economie, o.a. door het sluiten van materiaalstromen. Dit potentieel krijgt echter vanuit overheidswege nauwelijks aandacht. 
Het organiseren van publiek-private krachtenbundeling op bedrijventerreinen is essentieel voor het aanboren van de circulaire potentie. De rolinvulling van de lokale beleidsmedewerker werklocaties (zoals de EZ/RO-ambtenaar, accountmanager bedrijventerreinen en projectleider duurzaamheid) is echter weerbarstig. Enerzijds is het een zoektocht naar operationalisering van het concept circulaire bedrijventerreinen. Anderzijds moet het oorspronkelijk vooral inhoudelijke profiel worden verbreed naar een rol als innovatieve aanjager/procesmanager. 
De volgende vraagstelling staat in RAAK-project SAMEN BETER centraal: “Hoe kan de lokale beleidsmedewerker een effectieve katalysator worden om de circulaire potentie van bedrijventerreinen te benutten in co-creatie met relevante stakeholders?”

Beoogde looptijd: mei 2022 - april 2024

Meer informatie op de website van Fontys

Meer informatie op de website van de HAN

Nieuws
Onderzoek Maak ruimte voor werk van start
Onderzoek Maak ruimte voor werk van start

Hoe kunnen gemeenten beter sturen op ruimte voor werk bij (binnenstedelijke) gebiedsontwikkelingen? Op deze vraag willen drie hogescholen een antwoord geven in een handboek waardoor gemeenten meer regie en sturing kunnen uitoefenen op het behoud van ruimte voor met name maakbedrijven.  Voor de totstandkoming van het handboek is twee jaar van praktijkonderzoek uitgetrokken. Het wordt uitgevoerd door een breed consortium van zes gemeenten en de Hogeschool Rotterdam, Hogeschool van Amsterdam en Fontys Hogeschool.  'De reden voor dit onderzoek, waarvan we de bevindingen onderbrengen in een handboek, is dat we in ons vooronderzoek constateerden dat gemeentelijke professionals behoefte hebben aan nieuwe oplossingen om te kunnen sturen op behoud en ontwikkeling van (betaalbare) ruimte voor werk in de stad', zegt Auke Brugmans, docent-onderzoeker Vastgoedkunde van de Hogeschool Rotterdam tegen Stadszaken.  Uit interviews bleek dat gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag en snelgroeiende steden als Tilburg en Leiden worstelen met het in de praktijk brengen van de bestuurlijke ambitie van een stad, waar ruimte behouden blijft – en wordt ontwikkeld – voor de maakindustrie. ‘Het ontbreekt binnen de betrokken afdelingen vaak aan kennis over wat maakbedrijven beweegt, wat hen bindt en welke passende werkende oplossingen nodig zijn. Het gaat vaak te veel over in plaats van met ondernemers.’  Geen integrale aanpak  In de praktijk en uit eerdere onderzoeken, zoals het lopende onderzoek naar ‘Collectieve gebiedsontwikkeling’ en eerder onderzoek naar ‘Ecosystemen voor werk' van docent-onderzoeker Bernadina Borra, blijkt dat de uitvoering van de opgave van ruimte voor werk bij gemeenten meestal niet integraal wordt opgepakt. 'De uitvoering is verdeeld over de afdelingen economie, ruimtelijke ordening, grond/vastgoed en sociaal, terwijl functiemenging van wonen en werken vraagt om een creatief stedelijk – gezamenlijk – ontwerp.'  Anderzijds beschikken marktpartijen in vastgoed tot op heden niet over een goed businessmodel en voorbeelden van geslaagde gemengde en verdichte vastgoedoplossingen om de benodigde werkruimte te realiseren voor maakbedrijven in de stad.  'Daarbovenop beschikken gemeentelijke professionals zelf over onvoldoende (vastgoed)instrumenten om te sturen op deze oplossen.'  Het tweejarige onderzoek van een consortium, waar naast de drie hogescholen ook de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Leiden en Tilburg en netwerk- en ondernemersorganisaties zijn betrokken, moet uiteindelijk resulteren in een handboek met praktijkvoorbeelden die de gemeentelijk professional als sturingsinstrumentarium kan inzetten.   'Dat kunnen zowel harde, juridische als financiële instrumenten zijn, maar ook zachte factoren zoals communicatief en relationeel', zegt Brugmans.  Bijdrage leveren aan onderwijs Bij het onderzoek en het uiteindelijke handboek wordt de expertise van de hogescholen gebruikt vanuit drie disciplines, economie (lectoraat Ondernemende Regio van Cees-Jan Pen), ruimte (lectoraat Bouwtransformatie van Frank Suurenbroek) en vastgoed (lectoraat gebiedsontwikkeling en transitiemanagement van Gert-Joost Peek).  Bij economie staat de gebruikersbehoefte centraal. Denk aan vragen als de benodigde vestigingsplaatscondities en wat maakbedrijven nu echt beweegt.   Het fysiek ontwerp staat bij ruimte voorop. Denk hierbij aan wat zijn de benodigde ruimtelijke condities die beantwoorden aan de ruimtevraag van maakbedrijven in gemengde stedelijke gebieden?  Bij vastgoed ligt de nadruk op organisatie en realisatie waarbij in het handboek vragen worden beantwoord als hoe komt huisvesting van maakbedrijven tot stand en hoe is dit type vastgoed als onderdeel van een gebiedsontwikkeling te realiseren?   ‘Naast het handboek willen we de opgedane kennis ook op landelijk niveau via onze netwerk- en ondernemersorganisaties verspreiden. Zo willen we een bijdrage leveren aan verbeterings- en verdiepingsprogramma’s in het onderwijs en bij gebiedsontwikkelingen op het vlak van ruimte voor werk die in praktijk plaatsvinden’, onderstreept Brugmans. Het tweejarige onderzoek, ‘Maak Ruimte voor Werk’, van de hogescholen Amsterdam, Rotterdam en Fontys Hogeschool is mogelijk dankzij een subsidie die het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA afgelopen week verstrekte. Bij het onderzoek van de hogescholen zijn ook de afdelingen economie en stadsontwikkeling van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Leiden en Tilburg betrokken. De coalitie Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN), Ruimte voor Werk en Platform31 fungeren binnen dit onderzoek als kennispartners. Lees het artikel ook op Stadszaken.nl

30-05-2024
Nieuws
Onderzoekssubsidie voor circulaire potentie bedrijventerreinen
Onderzoekssubsidie voor circulaire potentie bedrijventerreinen

De bijdrage van bedrijventerreinen aan de circulaire economie is enorm groot, maar wordt tegelijkertijd zwaar onderschat. Om de circulaire potentie van bedrijventerreinen beter te benutten, is de inzet van de publieke professional essentieel. De lokale beleidsmedewerker kan een effectieve katalysator worden, in co-creatie met relevante stakeholders. Onderzoekers van Fontys Hogescholen en de Hogeschool Arnhem en Nijmegen gaan van start om dit tweejarige RAAK onderzoek uit te gaan voeren.  Bedrijventerreinen ongekend groot circulair potentieel Al meer dan honderd jaar zijn bedrijventerreinen dé aangewezen locatie om te ondernemen en te produceren. Ze zijn voor de Nederlandse economie van groot belang en vertegenwoordigen een ongekend, maar zwaar onderschat circulair potentieel. Zo wordt in het Klimaatakkoord (2019) met geen woord gerept over circulariteit op bedrijventerreinen, maar ze zijn wel dé cruciale schakel voor de circulaire transitie. Lector De Ondernemende Regio Cees-Jan Pen: “Super dat we de circulaire potentie en het belang van bedrijventerreinen verder op de kaart kunnen gaan zetten. Onze ambitie wordt door SIA beloond, want we zijn zelfs als beste gerankt in deze subsidieronde.” Lokale beleidsmedewerker als katalysator Het organiseren van publiek-private krachtenbundeling op bedrijventerreinen is essentieel voor het aanboren van de circulaire potentie. De rolinvulling van de lokale professional op dit vlak is echter weerbarstig. Enerzijds is er nog een zoektocht naar het concept circulaire bedrijventerreinen, anderzijds  wordt er ook een rol als innovatieve aanjager/procesmanager verwacht. In het RAAK Publiek project wordt daarom de lokale professional centraal gesteld. Hoe kan hij/zij een effectieve katalysator worden om de circulaire potentie van bedrijventerreinen te benutten in co-creatie met relevante stakeholders? RAAK Samen Beter Fontys Hogescholen en de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) willen met 11 gemeenten, 3 provincies, ondernemersorganisaties en bedrijventerreinenexperts de rol van de publieke professional versterken. Het project wordt gesteund door lokale werkgeversorganisaties, parkmanagementorganisaties, SKBN en bedrijventerreinverenigingen en krijgt hiervoor van Nationaal Regieorgaan SIA een RAAK publiek-subsidie. Pen: “Het onderzoek past bovendien perfect in de Fontys for Society strategie. We werken in dit onderzoek nauw samen met het Center of Expertise Sustainability & Circularity onder leiding van Jifke Sol”.  

23-05-2022
Opinie
Er is niets mis met functiescheiding
Er is niets mis met functiescheiding

Het ruimtelijk debat over de gebouwde omgeving draait om het sectoraal ‘bouwen, bouwen, bouwen’ van liefst zoveel mogelijk woningen. De werkfunctie hangt er vaak maar wat bij, blogt Cees-Jan Pen, lector de Ondernemende Regio van Fontys Hogescholen. Er is alleen politieke interesse in werkgebieden als deze (deels) kunnen worden omgezet in woongebieden. Wie wil er immers niet meer levendigheid, leefbaarheid en dynamiek in monofunctionele werkgebieden? Functiemenging is een doel op zich geworden. De ruimte voor bedrijven komt vaak niet verder dan goede bedoelingen, flitsende brochures over woon- en interactiemilieus en mooie – haast romantische – vergezichten. Overheden zeggen vaak dat ze woningbouw op bedrijventerreinen niet ten koste willen laten gaan van ruimte voor bedrijvigheid en daarmee verlies van werkgelegenheid in steden en dorpen willen voorkomen. Een derde van de bedrijven en banen is immers vaak gevestigd op bedrijventerreinen, dus je moet het belang van deze terreinen op papier natuurlijk wel serieus nemen. De praktijk is helaas totaal anders. Bewonen gaat altijd voor werken In vooral de Randstad, maar ook in grote steden elders in het land, worden woningen ‘zomaar’ gepland op of tegen bedrijventerreinen, te dicht op de honderden aanwezige bedrijven met bestaande vergunningen en vergunde milieuruimte op deze terreinen. Illustratief zijn terreinen als Binckhorst en ZKD in Den Haag, de Schieoevers in Delft, Merwehaven Rotterdam, Hamerkwartier en Damen Shipyard Amsterdam-Noord, Achtersluispolder Zaanstad, De Hurk Eindhoven en ga zo maar door. Dit is zorgelijk, want dat gaat natuurlijk gegarandeerd klachten van bewoners opleveren. De praktijk leert bovendien dat een bedrijf moet verplaatsen als klachten van bewoners niet kunnen worden opgelost. De vergunning wordt in zo’n geval niet verlengd, want bewoners worden gewoon beter beschermd. Waar moeten deze bedrijven dan heen? In de regio is vaak nauwelijks ruimte voor de uitplaatsing. Onderschat wordt wat de plannenwolk aan woningen doet met de innovatie en motivatie van ondernemers in deze gebieden. Werken voor wonen We omarmen natuurlijk functiemenging, maar de huidige definitie hiervan gaat uit van het concept woon-werkgebieden, waarbij er alleen ruimte is voor kantoorachtige (thuis)werkfuncties. Het wordt tijd om meer te denken in termen van werk-woongebieden. In zo’n gebied is het faciliteren van de reeds aanwezige bedrijvigheid het uitgangspunt, waarbij woningen (in het uiterste geval) vaak alleen aan de randen of in combinatiegebouwen mogelijk zijn. Er is ruimte voor maakbedrijven in de hogere milieucategorieën (minimaal 3.1), zonder dat vanaf de tekentafel woningaantallen worden ingeboekt in het betreffende gebied. Reserveer vooraf bedrijfsruimten, die geschikt, bereikbaar en/of betaalbaar zijn voor de zittende ondernemers. Centraal moet het participatieproces staan, niet alleen van maar ook met ondernemers. Te vaak zie ik namelijk dat óver in plaats van met ondernemers wordt gesproken. Er is toenemende vraag naar werken in de stad De verschillen tussen woon-werk, dan wel werk-woongebied lijkt een woordspelletje voor planologische intimi. Er gaat echter een fundamenteel debat achter schuil. Illustratief is dat vaak wordt gerekend met vuistregels als 25-30m2 per werknemer in een gebied, terwijl uit projecten in bijvoorbeeld havengebieden blijkt dat arbeidsintensief (maak)werk vraagt om misschien wel 250m2 per werknemer. Daar vallen banen voor alle opleidingsniveaus onder, zeker voor mbo-vakmanschap, ambachtelijk werk, maakbedrijven en industrie. We moeten, zoals ik eerder met Joks Jansen al stelde, af van de kenniseconomische illusie dat werken achter de laptop gebeurt in hippe koffietentjes, hightech campussen en getransformeerde industriepanden. We vergeten de economie van het sleutelen, maken, repareren, recyclen en produceren. En niet te vergeten: in een circulaire economie neemt deze ruimtevraag voor ‘maakbedrijven’ alleen maar verder toe.  Er is niet altijd iets mis met functiescheiding Functiemenging is te veel een doel op zich geworden. Ik las laatst het nuchtere advies dat we gewoon ons gezonde, menselijke verstand moeten gebruiken bij wat je wel en niet mixt. We willen immers niet dat woningbouw ten koste gaat van bedrijvigheid. Weet dus wat bedrijven in een gebied beweegt. Dit betekent soms ook simpelweg dat er een stop komt op de transformatie van bedrijventerreinen. We zullen bestaande gebieden moeten aanwijzen waar bedrijven tien jaar kunnen ondernemen en innoveren. Reserveer sowieso ruimte voor het faciliteren van de groeiende circulaire economie die we met zijn allen zo graag willen. Niet overal kan worden gewoond. Blog door Cees-Jan Pen in Vastgoedmarkt. Foto: Flickr  

14-04-2022
Opinie
Ingezonden opinie ED - Bedrijventerrein: de logica van de lelijkheid waartegen we ageren; het zou juist troetelkind moeten zijn
Ingezonden opinie ED - Bedrijventerrein: de logica van de lelijkheid waartegen we ageren; het zou juist troetelkind moeten zijn

Bedrijventerreinen zijn geen geliefd onderwerp in de ruimtelijke ordening. De planologische aandacht was nooit erg groot, maar vandaag lijkt de liefde definitief bekoeld. De gedachte is dat we de meer industriële en maakbedrijven wel kunnen uitplaatsen naar een locatie in de regio. In de toegenomen strijd om de beperkte ruimte wint wonen het van werken. Het ongunstige imago van bedrijventerreinen - stereotiep, saai, monofunctioneel en weinig verblijfskwaliteit – werkt niet mee in de gunst om bestuurlijke aandacht. Ze fungeren maar al te vaak als een soort ruimtelijke pispaal voor alles wat er mis is in onze ruimtelijke ordening. Groeiende ongemak rond ‘verdozing’ Het is de logica van de lelijkheid waartegen we collectief ageren. Illustratief is het groeiende ongemak rond ‘verdozing’ door logistieke en distributiecentra. Ze bieden ook nog eens plek aan bedrijven die het niet altijd nauw nemen met milieuvoorschriften, zoals asfaltcentrales, puinbrekers en betoncentrales. Veelgehoorde reactie is ‘dat ze dan maar plaats moeten maken’. Want wat moeten we anders met al die 3.500 bedrijventerreinen die vol staan met anonieme dozen? Je zal maar een bedrijventerrein zijn en typeringen als verdozing, verrommeling, hitte-eiland, eigen-kavel–eerst-beleid en snelwegvervuiling naar je hoofd geslingerd krijgen. Voor een deel hebben deze gebieden dit aan zichzelf te danken. Als het heet is, is het extra heet en als het veel regent, kan het water nauwelijks weg. Het vraagstuk van programmering, situering, landschappelijk ontwerp en inrichting staan niet hoog op de lokale omgevingsagenda. De politieke interesse richt zich op kavelopbrengsten bij nieuwe gebieden. Ondernemers en eigenaren zijn druk met hun pand en bedrijf en zien de ondernemersvereniging vooral als een gezellige borrel- en ontmoetingsplek. Een klein deel kent professioneel parkmanagement. Zowel publieke als private partijen tonen weinig maatschappelijke betrokkenheid. Kortom, je wordt er niet bepaald vrolijk van. Na deze treurnis zou je vergeten dat er wordt gewerkt op bedrijventerreinen en niet zo’n klein beetje ook. Zeker 30% van de werkgelegenheid is er gevestigd. Het gaat om banen voor alle opleidingsniveaus en zeker voor mbo-vakmanschap, ambachtelijk werk, maakbedrijven en industrie. Praktisch en middelbaar opgeleiden vinden er hun bestaan. Voor hen speelt naast betaalbare woonruimte ook het belang van een bereikbare arbeidsplaats. Met de uitplaatsing van bedrijventerreinen komt dat onder druk te staan. Kurken waarop de regionale economie drijft Bedrijven op bedrijventerreinen zijn vaak stuwend en zorgen voor werkgelegenheid elders. 40% van het bruto regionaal product wordt er verdiend. Het zijn de kurken waarop de lokale en regionale economie drijft. De circulaire potentie is groot. TNO stelt dat de reductie van de CO2-uitstoot van duurzame bedrijventerreinen net zo groot is als aardgasvrije woonwijken. Best een belangrijke reden om bedrijventerreinen niet aan hun lot over te laten. Een planologisch liefdevoller omgang is vereist. Dat betekent een switch in denken en doen. We moeten af van de kenniseconomische illusie dat werken achter de laptop gebeurt in hippe koffietentjes, hightech campussen en getransformeerde industriepanden. Onze dot.com economie van toetsenbord en beeldscherm kan niet zonder not.dot.com variant, die nu eenmaal met fysieke inspanning gepaard gaat. Het is de economie van het sleutelen, maken en produceren.  Ten tweede moeten gemeenten hun bedrijventerreinenplanning revitaliseren. Het wordt tijd de duurzame ambities in de Omgevingsvisies om te zetten in planologische daden. Daarvoor is een krachtig tweesporenbeleid nodig. Het eerste spoor betreft ‘de basis op orde’, ter voorkoming van onnodige verloedering en vertrek van bedrijven naar nieuwe terreinen. Verplaatsing van werk en bedrijven ten koste van schaarse ruimte elders moet te allen tijde worden voorkomen. Terreinen moeten standaard schoon, heel, veilig en klimaatadaptief zijn. Geef voorrang aan terreinen die wel professioneel parkmanagement hebben en werken aan een gebiedsfonds. Duurzaam hergebruik van terreinen Vanuit ons tweede spoor is er dringend nationaal ruimtelijk beleid en een transitiefonds nodig om de circulaire potentie en het duurzaam hergebruik van bestaande terreinen (beter) te benutten. Eventuele meeropbrengsten van woningbouw aan de randen van bedrijventerreinen (mits er milieuruimte is), worden in een dergelijk fonds gestort. Sluit als Rijk een akkoord met de provincies voor een gezamenlijke impulsaanpak bedrijventerreinen. Start een programma klimaatrobuuste en circulaire bedrijventerreinen. Minister De Jonge geeft in zijn nieuwe Woon- en bouwagenda aan meer aandacht te willen besteden aan de herinrichting van bedrijventerreinen. Hopelijk wordt die planologische handschoen opgepakt, en behandelen we onze bedrijventerreinen straks niet langer als wees maar als troetelkind. Dat is goed voor de vele werknemers en bedrijven die onze economie draaiend houden. Het zorgt bovendien voor minder beslag op onze schaarse ruimte en sneller doelbereik van het klimaatakkoord. Cees-Jan Pen is lector ‘De ondernemende regio’ Fontys Hogescholen Eindhoven en Joks Janssen is Professor of Practice ‘Brede welvaart in de regio’ Tilburg University Bron: Eindhovens Dagblad, 5 maart 2022

05-03-2022
Opinie
Vergeet niet dat het bedrijventerrein primair een plek voor bedrijven is
Vergeet niet dat het bedrijventerrein primair een plek voor bedrijven is

De aandacht voor bedrijventerreinen lijkt vooral ingegeven door de potentie van deze locaties als gebied voor woningbouw, analyseert Cees-Jan Pen, lector bij Fontys Hogescholen. Terwijl ook bedrijvigheid een plek verdient in de stad. ‘Laat de gebieden soms zijn waarvoor ze bedoeld zijn: monofunctionele bedrijventerreinen waar ruimte is voor ondernemen.' Er is iets vreemds aan de hand met bedrijventerreinen. Circa een derde deel van de beroepsbevolking en bedrijven is er gevestigd. Ze leveren bovendien een grote bijdrage aan het bereiken van de klimaatdoelstellingen voor de gebouwde omgeving. Desondanks konden bedrijventerreinen zich lange tijd niet bepaald verheugen op politieke en beleidsaandacht. Je moet, net als ik, blijkbaar een afwijking hebben om je blijvend zo druk te maken over het belang en behoud ervan. Gelukkig zie ik het aantal mensen toenemen dat zich ook druk maakt om bedrijventerreinen. Inmiddels hebben Rijksadviseurs en landschappelijke organisaties bedrijventerreinen hoog op de politieke agenda gezet. Dat komt ongetwijfeld door het oplaaiende debat over de toenemende verdozing van ons landschap. De logistieke XXL-hallen en grote nieuwe datacentra hebben enorme impact op ons landschap. De ophef wordt verder versterkt door de ogenschijnlijk geringe duurzame en ontwerpeisen die worden gesteld aan deze enorme complexen en veel te vrijblijvende regionale en provinciale kaders. Er is überhaupt een toenemende aversie tegen bedrijventerreinen, die ogenschijnlijk woningbouwplannen – en de aanpak van de woningnood – in de weg lijken te zitten. We moeten niet vergeten dat er een trend gaande is voor meer ruimte voor duurzame bedrijven, met vakmanschap, ambachtelijk werk en omarming van de circulaire economie. Ook hier zijn bedrijventerreinen ineens dé essentiële plaats geworden om deze ambities te verwezenlijken. Opmerkelijk is dat we eigenlijk maar heel weinig weten en onafhankelijk langjarig onderzoek doen naar ruimte voor werken en bedrijventerreinen in het bijzonder en wat bedrijven beweegt. Uit een uitgebreide literatuurstudie (pdf) waaraan ik heb meegewerkt, blijkt hoe weinig er over de lange termijn bekend is. Dit staat in schril contrast met kennis en onderzoek over de benodigde vraag naar en ruimte voor wonen. Een illustratief voorbeeld is het uitgebreide debat over de omvang van de woningnood, de staat van de voorraad, het type benodigde huizen, de omvang en (huur)prijs van die huizen en regionale markten. Deze onderzoeksmatige dominantie voor wonen vertaalt zich namelijk ook in de ruimtelijke ordeningspraktijk. De aandacht voor bedrijventerreinen lijkt vooral ingegeven door de potentie van deze locaties als gebied voor woningbouw. Vanuit een sectorale en kwantitatieve woningbouwvisie worden momenteel bedrijventerreinen ingekleurd zonder echt rekening te houden met ruimte voor industriële werkfuncties en kennis wat bedrijven beweegt. Het gaat zelfs zo ver dat bedrijven, die ergens al tientallen jaren gevestigd zijn, de schuld krijgen als vertragende factor bij woningbouwplannen die nodig zijn voor het oplossen van de woningnood. Integrale ruimtelijke ordening is ver te zoeken. Van Bokkum stelde in NRC van 5 juni aan de hand van de illustratieve Amsterdamse case Damen Shipyards, terecht de vraag: is er in de stad nog plek voor industrie, of krijgen woningen prioriteit? Helaas lijkt het er eerder op dat we vanuit ambitieuze woningbouwtargets, de industrie weg willen hebben uit de steden. Voorbij wordt gegaan aan het feit dat niet overal functiemenging mogelijk is. Laat de gebieden en zeker industriële gebieden soms zijn waarvoor ze bedoeld zijn: monofunctionele bedrijventerreinen waar ruimte is voor ondernemen, zeker voor de maakindustrie. Ruimte voor bedrijventerreinen moet niet alleen hoog op de agenda voor het regeerakkoord en de komende gemeenteraadsverkiezingen, maar ook op de agenda van NWO, die de regie voert over onderzoeksfinanciering. Het wordt tijd dat ruimte voor werkende bedrijventerreinen de beleids- en onderzoeksmatige aandacht krijgt die het verdient. Deze column verscheen eerder op Vastgoedmarkt

30-06-2021
Aanmelden nieuwsbrief