‘We hebben in de afgelopen vier jaar bereikt dat er ontwikkelingen van de grond zijn gekomen die dankzij het zetje in de rug wat moois bijdragen aan Gelderland. OHG geeft initiatiefnemers een eerlijke kans en om aan de bal te komen en kunnen vastgoedprojecten met een maatschappelijk belang in het zadel helpen door advies en indien nodig ook met financiële steun.’ Aan het woord zijn Ron de Gruyter en William van de Worp van Ontwikkelings- en Herstructureringsmaatschappij Gelderland, kortweg OHG. Een zelfstandig fonds dat helpt rendabele projecten met een maatschappelijke impact te realiseren, daar waar knelpunten verdere ontwikkeling in de weg staan.

Het fonds heeft momenteel 18 miljoen euro in kas om transformaties van beeldbepalende gebouwen of gebiedsontwikkelingen in Gelderland, waar leegstand op de loer ligt, vlot te trekken. De Gruyter, verantwoordelijk voor het fonds, benadrukt dat eerst vanuit een helikopterview naar de opgave wordt gekeken alvorens men over geld begint te praten. ‘We hoeven niet altijd te financieren, vaak is advies en bemiddeling al voldoende’, vult Van de Worp hem aan. Van de Worp is senior projectmanager bij OHG en afkomstig uit het bankwezen. ‘Wij kunnen ontwikkelaars helpen door samen met hen in gesprek te gaan bij de gemeente of hun bank en ervoor te zorgen dat er aan de juiste knoppen wordt gedraaid, waardoor er tóch een opening wordt gevonden of een lening kan worden gegeven, die eerder misschien was afgewezen.’ Wanneer banken het risico toch te groot vinden om het volledige bedrag te financieren, kan OHG eventueel het tekort aanvullen met een lening uit het fonds.

Voor het zover is, begint iedere casus die bij OHG wordt ingebracht met een goede afstemming en contacten tussen gemeenten, ontwikkelaars, beleggers, financiers, gebruikers of bewoners. 

Het is een lening, geen subsidie

Om in aanmerking te komen voor financiering vanuit OHG, is maatschappelijke relevantie een voorwaarde, omdat het fonds zijn bestaansrecht dankt aan publieke middelen vanuit de provincie Gelderland. ‘Wij zijn geen bank en opereren zonder winstoogmerk, maar het geld dat wij uitlenen moet wel altijd weer terugvloeien in het fonds. Onze leningen hebben een revolverend karakter. Het is dus echt een lening en geen subsidie’, verduidelijkt De Gruyter, die sinds de oprichting vier jaar geleden door de provincie Gelderland leiding geeft aan het team van OHG.

Verbinden

De provincie Gelderland heeft het fonds ondergebracht bij ontwikkelingsmaatschappij Oost NL. Oost NL beheert het fonds OHG en voert het ontwikkelprogramma uit. De Gruyter, zelf afkomstig uit de vastgoedontwikkeling, heeft binnen Oost NL een team met professionals samengesteld die allen zowel in het ruimtelijke domein hebben gewerkt en ook ervaring hebben binnen de commerciële vastgoedmarkt. ‘Ons team is hierdoor goed in staat te begrijpen wat er tijdens een project gebeurt en wat er nodig is om de verbinding te maken tussen de verschillende partijen om zo een gebouw- of gebiedsontwikkeling succesvol te realiseren.’

De reden voor de provincie Gelderland om OHG in het leven te roepen was dat ze, net zoals woonminister De Jonge, meer regie en grip wilde op de herstructurering en transformaties van maatschappelijke relevante gebieden en gebouwen. Omdat de uitvoering onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende gemeenten valt en de provincies doorgaans alleen een toetsende rol uitvoeren, kwam de provincie met het idee om een eigen ontwikkelbedrijf op te richten om ontwikkelingen te ondersteunen die een aantoonbare toegevoegde waarde hebben voor het sociaal-maatschappelijke domein en een steuntje in de rug nodig hebben.

"Wanneer ik een lening moet toewijzen, pas ik dezelfde analyse toe als toen ik bij de bank werkte. Ik kijk alleen nu door een iets andere bril dan bij de bank. Zo hoeven wij niet het volledige risico af te dekken en is het maatschappelijke rendement leidend."

Ontwikkelaars en initiatieven kunnen bij OHG maximaal 2,5 miljoen euro lenen voor een project. ‘Als wij de door ons geselecteerde projecten financieel helpen, moet dit leiden tot een casus die op den duur wel rendabel wordt’, aldus Van de Worp. Het toewijzen van een OHG-lening verloopt daarom via dezelfde toetsingen als die van de banken. ‘Wanneer ik een lening moet toewijzen, pas ik dezelfde analyse toe als toen ik bij de bank werkte. Ik kijk alleen nu door een iets andere bril dan bij de bank. Zo hoeven wij niet het volledige risico af te dekken en is het maatschappelijke rendement leidend.’ Hoe zit het qua snelheid bij het aanvragen van financiële steun bij OHG? Van de Worp antwoordt: ‘Als een zaak financierbaar is gemaakt, dan zijn wij vaak sneller dan bij een reguliere bank.’

Dankzij OHG kunnen 120 ondernemers in Nijmegen hun werkzaamheden weer voortzetten

Op de vraag of er een praktijkvoorbeeld kan worden beschreven van een succesvolle ontwikkeling die mede door hulp van OHG tot stand is gekomen noemen De Gruyter en Van de Worp het project NYMA Makersplaats in Nijmegen. Aanleiding voor de casus was dat dat een groep van 120 ondernemers de leegstaande voormalige Honig-fabriek moest verlaten vanwege herontwikkelingsplannen. De groep had zijn oog laten vallen op een oud pand van de gemeente, om hun bedrijfsactiviteiten in door te kunnen zetten. Ze hadden de kennis, kunde en de middelen niet om het pand te herontwikkelen. OHG heeft de ondernemers hierin begeleid en hen ondersteund in de afstemming met de gemeente Nijmegen en hun eigen bank die ook vertrouwen had in hun plannen. De samenwerking resulteerde in een win-winsituatie: een leegstaand pand werd getransformeerd van inactief naar actief en uiteindelijk meer dan 120 ondernemers kunnen hun werkzaamheden en bron van inkomsten voortzetten.

De hulpvragen die bij OHG worden ingediend worden niet beoordeeld via een vast format. Men bekijkt per casus de grootte van de impact, de toegevoegde waarde voor de samenleving en of het project in de toekomst rendabel is. Ook mag het fonds van de provincie Gelderland zelf relevant vastgoed aankopen, als het dat nodig acht. ‘Maar dat is in de afgelopen vier jaar nog niet gebeurd’, aldus De Gruyter.

Bron: Vastgoedjournaal.nl

13-12-2023
Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Nieuws
Forse vraag naar werklocaties in Noord-Holland Noord
Forse vraag naar werklocaties in Noord-Holland Noord

De vraag naar bedrijventerreinen in Noord-Holland Noord neemt de komende decennia flink toe. Dat blijkt uit de provinciale behoefteraming werklocaties.Tot en met 2045 is in de Kop van Noord-Holland, West-Friesland en regio Alkmaar behoefte aan in totaal ongeveer 332 tot 468 hectare extra ruimte voor bedrijven. RuimtevraagDe totale ruimtevraag tot en met 2045 bestaat onder andere uit:158 tot 242 hectare uitbreidingsvraag voor groei van bestaande bedrijven;46 hectare vervangingsvraag door transformatie van bestaande terreinen, bijvoorbeeld naar woningbouw;130 tot 180 hectare extra ruimtevraag die bovenop de ‘gewone’ groei van bedrijven komt, vooral voor energie-infrastructuur en het maritieme cluster. Deze vraag concentreert zich vooral in de Kop van Noord-Holland.Vooruit kijkenNetcongestie is en blijft de komende jaren een grote belemmering voor uitbreiding en vestiging op bedrijventerreinen. Toch blijft een behoefteraming essentieel. In Noord-Holland Noord gebruiken de gemeenten de raming als basis voor het actualiseren van hun regionale afspraken over werklocaties. Bovendien kunnen nieuwe plannen alleen doorgaan als deze passen binnen deze afspraken én aansluiten bij de provinciale raming. Gedeputeerde Esther Rommel: “De behoefteraming laat zien dat scherpe keuzes nodig zijn over ruimtegebruik: de ruimte is schaars en netcongestie is een groot knelpunt. Dit maakt het des te belangrijker om als overheden samen vooruit te kijken: waar zetten we de schaarse ruimte voor in, en welke bedrijven of clusters zijn van strategisch belang voor de regio? We kijken bewust ver vooruit, naar de periode waarin uitbreiding weer beter mogelijk is.” Inzet van de provincieDe uitkomsten van de behoefteraming worden gebruikt bij het opstellen van de Omgevingsvisie en het Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord. De provincie Noord-Holland deelt kennis over onder meer het beter benutten van bedrijventerreinen, verduurzaming, bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. Ook ondersteunt de provincie verbeteringen met subsidies.Lees meerBehoefteraming kantoren Noord-Holland NoordBehoefteraming bedrijventerreinen Noord-Holland Noord

20-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief