De provincie Noord-Holland faciliteert energie-intensieve industrie alleen nog bij energieknooppunten, en ondersteunt enkel nog economische ontwikkeling die bijdraagt aan een toekomstbestendige economie. Daarvoor hanteert de provincie vijf afwegingsprincipes. Dat staat in conceptontwerp van de omgevingsvisie.

Netwerkinfrastructuur voor mobiliteit, energie, drinkwater en data worden sowieso sturender voor toekomstig ruimtegebruik. ‘Tot nu toe was het gebruikelijk dat we de netwerken die nodig waren aanpasten aan het gebruik’, schrijft de provincie in de conceptontwerp omgevingsvisie.

Functies worden daarbij zoveel mogelijk geclusterd op plekken waar belangrijke infrastructuur zoals energie en mobiliteit en economische activiteit en innovatie samenkomen. 

Selectief locatiebeleid

De provincie benadrukt dat het niet meer allen activiteiten overal kan faciliteren, maar enkel ruimtelijke ondersteuning biedt aan economische ontwikkelingen die bijdragen aan een toekomstbestendige economie. Daarvoor hanteert de provincie randvoorwaarden. Dit zijn: een hoge arbeidsproductiviteit of bijdrage aan productiviteitsgroei, efficiënt ruimtegebruik, efficiënt watergebruik, efficiënt energiegebruik, klimaat en gezonde leefomgeving in balans, en de vermindering van het gebruik van grondstoffen. 

Datacenters

Noord-Holland huisvest momenteel de meeste datacenters van Nederland, wat een belangrijke bijdrage levert aan de economie en digitale soevereiniteit. De provincie erkent het belang van datacenters, maar benadrukt de noodzaak van selectiviteit en duurzaamheid in hun plaatsing en beheer, gelet op de beperkte beschikbaarheid van ruimte, energie en water.

Vijf afwegingsprincipes voor een toekomstbestendige economie

1. Zuinig omgaan met ruimte en beperkte middelen
Selectief en efficiënt inzetten van schaarse ruimte en middelen, zoals arbeid, zoetwater en milieuruimte.
2. Water en bodem als ordenend principe
Het water- en bodemsysteem bepaalt mede waar en hoe ontwikkelingen mogelijk zijn, met aandacht voor waterveiligheid, waterkwaliteit en bodemcondities.
3. Omgevingskwaliteit en gezonde leefomgeving waarborgen en bevorderen
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, met respect voor natuur, landschap en erfgoed.
4. Sturen vanuit netwerken
Netwerken voor energie, drinkwater, data en mobiliteit worden sturend voor toekomstig ruimtegebruik. Ontwikkelingen vinden plaats waar deze netwerken samenkomen.
5. Sturen op randvoorwaarden voor een toekomstbestendige economie
Economische activiteiten worden alleen gefaciliteerd als ze voldoen aan randvoorwaarden voor duurzaamheid, circulariteit en strategische meerwaarde.

Rond woningbouwopgaven stapt de provincie af van het adagium ‘eerst bewegen, dan bouwen’, zodat de woningbouw niet verder vertraagd wordt door knelpunten op de mobiliteitsnetwerken (lees ook: Noord-Holland bouwt door, bereikbaarheid komt later wel).

De provincie stuurt daarom ook aan op clustering van woon- en werkomgevingen in elkaars nabijheid. Achterliggend doel is ook om een nieuwe mobiliteitsvraag te beperken, aangezien de netwerken tegen de bovengrens van hun capaciteiten aanlopen. 


12-05-2026
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Nieuws
Van hittestress naar vergroening op bedrijvenpark De President
Van hittestress naar vergroening op bedrijvenpark De President

Op bedrijvenpark De President, heeft PHB als aanjager van toekomstbestendige bedrijventerreinen, samen met ondernemers, parkmanagement en de gemeente, gezorgd voor een aanmerkelijke investering van bijna €900.000 in de vergroening van het bedrijvenpark.Na de succesvolle pilot hebben inmiddels meerdere bedrijven interesse getoondOndanks dat het bedrijventerrein destijds modern was ingericht, was het nog niet voorbereid op klimaatverandering. Door de intensieve bebouwing en beperkte groenzones liep de gevoelstemperatuur op warme dagen op tot wel 37–38°C, was er nauwelijks schaduw langs looproutes én voldeed minder dan de helft van de bedrijven aan de norm voor een koele plek binnen 300 meter. Kortom: het terrein was functioneel ingericht, maar bood op het gebied van klimaatadaptatie nog duidelijk ruimte voor verbetering, met kansen om het toekomstbestendiger en aantrekkelijker te maken voor werknemers, bezoekers en bedrijven. In 2023 gaf het Parkmanagement daarom opdracht om de problemen rondom hitte, groen en wateroverlast in kaart te brengen. De conclusie was helder: structurele verbetering kon alleen worden bereikt door openbare én private ruimte gezamenlijk te vergroenen.De impasse doorbreken De gemeente was in eerste instantie terughoudend over het vergroenen van het bedrijvenpark. Er waren al vaste plannen voor de uitstraling en strakke beheerbudgetten. Ook leek er weinig ruimte in de openbare omgeving door kabels en leidingen onder de grond. Parkmanagement besloot om een ‘aanjager’ via PHB in te schakelen, die zorgde voor gelijkwaardige gesprekken, waarin de verschillende perspectieven vanuit de betrokkenen werden besproken. Er ontstond tussen Parkmanagement, de deelnemende bedrijven en de verschillende afdelingen van de gemeente, begrip en een gesprek over wat mogelijk was. Door te kiezen voor een pilot benadering ontstond voor de gemeente, ruimte om op een andere manier naar ontwerp, beheer en kosten te kijken.Gezamenlijke inspectie in het gebied maakten kansen zichtbaar en creëerde enthousiasme.De bedrijven bleken over het algemeen bereid te investeren in hun eigen terrein, waarvan vijf bedrijven zich committeerden om hun eigen kavels ingrijpend te vergroenen. ‘Onze rol was om deze impasse te doorbreken.’ Nico Meester – PHBVan kansen naar concrete plannen Om snel inzicht te krijgen in haalbaarheid en kosten werd besloten een kansenanalyse te laten maken. Met behulp van een subsidie uit de provinciale regeling Ondersteuning Toekomstige Werklocaties werd €25.000 aan procesgeld toegekend, met 50% co-financiering. Opgebracht door parkmanagement, gemeente en PHB, ieder voor één derde deel. In totaal kwam er zo €50.000 beschikbaar.  Stichting Greendustry werkte vervolgens concrete plannen uit voor vijf bedrijfskavels en aangrenzende openbare ruimte, inclusief een begroting. In nauw overleg met alle partijen ontstonden realistische, gedragen ontwerpen.Ondernemers werden enthousiast en de gemeente ging van een afwachtende naar een actieve partner. ‘PHB speelde een belangrijke, aanjagende rol in het project en wist verschillende partijen met elkaar te verbinden.’ Hugo Kranenburg – GreendustrySubsidie als accelerator De totale investering voor de uitwerking van de vergroening bedraagt bijna €900.000.  Via de provinciale subsidieregeling Toekomstbestendige Bedrijventerreinen is 25% hiervan toegekend.  De uitvoering start in begin 2026 en bestaat onder andere uit: Groene bedrijfstuinen Wandelvriendelijke, schaduwrijke stoepen Vergroende gevels en koele verblijfsplekken De vergroening van de omgeving moet zorgen voor minder hittestress en wateroverlast en een fijne en aantrekkelijke werkomgeving.  ‘Door de korte lijnen met PHB en financiële ondersteuning is het project uiteindelijk ook in de uitvoeringsfase gekomen.’ Rob ten Bok – Parkmanager De PresidentSamen investeren in de toekomst Als deze case ons één ding heeft geleerd, dan is het dat samenwerking essentieel is. De gemeente en het bedrijfsleven moeten het samen doen en succes ontstaat wanneer ze beide eigenaarschap voelen. Nog meer learnings:  Betrek ontwerp, beheer én budgethouders vanaf het begin. Een gezamenlijke kijkronde breekt barrières af en maakt kansen zichtbaar en tastbaar Focus op de voordelen: mooiere uitstraling, meer comfort, hogere productiviteit, een koelere omgeving en minder wateroverlast. Wees helder over kosten en subsidiemogelijkheden Schetssessies stimuleren creativiteit en samenwerking.  Een integrale aanpak voor zowel openbare als private ruimte is cruciaal Een duidelijk integraal plan zorgt voor draagvlak en maakt uitvoering mogelijk De kracht van de bedrijvenvereniging van bedrijvenpark de President zit in samenwerken, duidelijke kaders, concrete cijfers, een gezamenlijke rekensom en heldere afspraken over wie wat doet. Juist een kleinschalige pilot bleek de sleutel tot blijvend draaglak en kansen voor opschaling. ‘De ervaringen die we met dit project hebben opgedaan, worden inmiddels meegenomen in projecten op andere werklocaties in de Haarlemmermeer.’ Ed Nieuwenhuizen – Procesbegeleider Duurzame Werklocaties,- Gemeente Haarlemmermeer Beeld: Bedrijvenpark De President, gemaakt door The Flying Dutchmen

06-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief