KENNISARCHIEF 2026

Achtergrond
Herontwikkeling Spaanse Polder Rotterdam
Herontwikkeling Spaanse Polder Rotterdam

Het bedrijventerrein Spaanse Polder is van strategisch belang voor de Rotterdamse economie. Buck Consultants International heeft de gemeente Rotterdam en de partijen die op het terrein gevestigd zijn, ondersteund bij het opzetten van een publiek-private aanpak voor herontwikkeling en herprofilering van het terrein. Deze richt zich op zeven perspectiefvolle locaties in het gebied, geselecteerd met behulp van de kansenzone-aanpak. Zo kunnen Bedrijvenraad en gemeente hun gezamenlijke toekomststrategie realiseren.Strategisch belang van bedrijventerrein Spaanse PolderSpaanse Polder is een Rotterdams bedrijventerrein van ruim 300 hectare groot en huisvest ruim 25.000 banen. Het terrein is strategisch gelegen in stedelijk gebied en tegelijkertijd ontsloten via de A4, A20, A13 en A16. De ligging en omvang maakt dat het terrein een belangrijke rol vervuld in het palet van werklocaties van Rotterdam.Tegelijkertijd heeft het terrein een grote opgave. Onderdelen zijn verouderd of niet goed ingericht voor de gewenste doelgroepen. Daarnaast zijn er veel kansen om de ruimte beter te benutten. De komende vier jaar gaat de gemeente Rotterdam daarom samen met ondernemers, provincie en het Havenbedrijf  aan de slag met de herontwikkeling en herprofilering van de Spaanse Polder. Hiermee krijgt het bedrijventerrein een stevige impuls, die past bij de dynamiek van stad en regio. BCI heeft de gemeente en partijen op het bedrijventerrein geholpen met het maken van de strategie voor deze herontwikkelingsopgave. Hierna volgen de belangrijkste onderdelen hieruit.   Vijf doelgroepen leveren toekomstbestendig profielHet bedrijventerrein heeft vijf belangrijke doelgroepen: de zwaardere industrie, maakindustrie, food, (stedelijke) distributie en de circulaire economie. Deze sectoren bieden volop marktperspectief. Uit analyses blijkt dat deze doelgroepen de komende jaren blijven groeien. Die groei vraagt om extra ruimte en Spaanse Polder kan die ruimte bieden. Het bedrijventerrein is uniek in de Randstad en Rotterdamse Regio. Het beschikt namelijk over droge kavels, watergebonden kavels en kan plek bieden aan bedrijven met een lage én hoge milieu-impact. Bovendien ligt het dicht bij de stad. De strategie is om op Spaanse Polder ruimte vrij te maken voor doorgroeiers en nieuwe bedrijven uit de regio die in deze sectoren vallen.Meest perspectiefvolle plekken aangewezen via kansenzone aanpakHet gebied in één keer herontwikkelen is een enorme uitdaging, gelet op de grote omvang van ruim 300 hectare. Daarom wordt de herontwikkeling gefaseerd aangepakt via zogenaamde kansenzones. In deze door Buck Consultants International (BCI) ontwikkelde kansenzone aanpak zijn vijftien locaties geselecteerd waar herontwikkeling het meest kansrijk is. Op deze locaties is sprake van bijvoorbeeld veroudering, (buur)bedrijven die willen uitbreiden of er zijn strategisch gelegen (natte) kavels voorhanden. Tot slot is voor de zeven meest perspectiefvolle locaties uitgewerkt hoe de herontwikkeling georganiseerd en gefinancierd kan worden.Spaanse Polder op de drempel van daadkrachtig doorpakkenDe zeven meest perspectiefvolle locaties vormen de motor voor ruimtelijk-economische vernieuwing van de Spaanse Polder. Op deze plekken kan morgen al de schop in de grond en kan gebiedstransformatie echt in beweging komen. Het advies dat BCI gegeven heeft om tot uitvoering te komen bestaat uit  twee onderdelen.Zet een passende organisatie op: Om snel tot actie over te gaan maar ook langjarige inzet te garanderen, is naast financiering een passende organisatie cruciaal. Alleen zo kunnen maatschappelijke opgaven en belangen goed worden samengebracht. Hiervoor moet een koepel van de Bedrijvenraad en gemeente -een Taskforce- worden opgericht. Deze Taskforce fungeert als verbindende schakel tussen alle partijen in het gebied met een boegbeeld uit de gemeentelijke organisatie als gezicht, ondersteund door een ervaren projectleider herontwikkeling die aan de slag gaat met de zeven prioritaire kansenzones. Het gemeentelijke Kernteam vormt de motor achter de Taskforce.Herontwikkelingsspecialist Jan Brugman, onderdeel van het projectteam van BCI, zegt hierover: “Bepalend voor een succesvolle start is dat slagvaardig kan worden geopereerd en dat goede vaardigheden, wil, durf, vernieuwing en flexibiliteit zijn geborgd. De bemensing van de organisatie luistert heel nauw.”Het Kernteam stemt direct af met gemeentelijke directies en onderhoudt het contact met ondernemers via Buurtverenigingen. Waar nodig wordt het team uitgebreid met specialisten op het gebied van handhaving, juridische kwesties, vastgoedrekenwerk en projectfinanciering. Zo ontstaat een multidisciplinair, flexibel team met stevige kennis van gebiedsontwikkeling, contractvorming en een ondernemende houding.Organiseer financieringFinanciering is doorslaggevend voor succesvolle herontwikkeling van de Spaanse Polder. Ten eerste is er budget nodig voor inzet op kerntaken als schoon, heel en veilig. “De centrale opgave is het beter benutten van het bedrijventerrein door optimale verkaveling of gebouwen op te toppen, met als doel om meer beschikbare ruimte voor bedrijven te realiseren”, stelt Brugman. “Maar de integrale opgave is breder dan dat alleen. Om bedrijven te verleiden te investeren of zich te vestigen op het terrein, is ook een veilige, schone, groene en gezonde omgeving nodig. Dit is onlosmakelijk met elkaar verbonden.” Ten tweede moet er stevig geïnvesteerd worden in nieuwe en bestaande kades. Dit vraagt om goede samenwerking tussen gemeente, havenbedrijf, provincie en ondernemers. Ten derde is het van belang een revolverend herontwikkelingsfonds in te richten. Met een jaarlijkse reservering ontstaat een fonds voor de komende vier jaar. Het fonds is niet statisch: als het effectief blijkt, vergroten extra stortingen het beschikbare kapitaal. Dit leidt op termijn tot hogere opbrengsten omdat kavels en vastgoed worden doorverkocht. Zo versterkt het fonds zichzelf en blijft het gebied in een constante ontwikkelstroom.Foto: Flickr | Sander Sloots

02-04-2026
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Nieuws
Zuid-Holland introduceert ‘bedrijfje erbij’ in omgevingsbeleid
Zuid-Holland introduceert ‘bedrijfje erbij’ in omgevingsbeleid

Terwijl ‘straatje erbij’ nog volop onderwerp van debat is, komt Zuid-Holland nu met een opvallende nieuwe variant: ‘bedrijfje erbij’. De provincie wil beperkte uitbreiding van bedrijventerreinen als aparte uitzondering opnemen in de Omgevingsverordening. In het Statenvoorstel voor de herziening van de Omgevingsvisie trekt Zuid-Holland tegelijk een strakkere lijn voor bouwen in de open ruimte.  De provincie wil een ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ opnemen in de Omgevingsverordening. Daarbinnen worden stedelijke ontwikkelingen sterker begrensd. Uitzonderingen blijven wel mogelijk.  Naast grote buitenstedelijke bouwlocaties, ‘straatje erbij’ en enkele kleinschalige ontwikkelingen noemt de provincie nu ook ‘bedrijfje erbij’: een regeling voor beperkte uitbreiding van bedrijventerreinen.  Die keuze is opmerkelijk omdat Zuid-Holland een term uit het woningbouwdebat doortrekt naar werken en economie.  ‘Straatje erbij’ draait om kleine woningbouwlocaties aan de rand van stad of dorp. Met ‘bedrijfje erbij’ zegt de provincie feitelijk dat ook bedrijven soms extra ruimte nodig hebben, terwijl de open ruimte juist beter moet worden beschermd. Uitzondering in streng ruimtebeleid De achtergrond is een bredere koerswijziging. Zuid-Holland wil zuiniger omgaan met de schaarse ruimte en onbebouwde gebieden beter beschermen.  Die ruimte is volgens de provincie nodig voor landbouw, water, energie en natuur. De provincie zet wonen en werken daarbij bewust naast elkaar. Voor ‘straatje erbij’ geldt al een specifieke regeling. Voor bedrijventerreinen in Zuid-Holland komt er nu een vergelijkbare route.  Daarmee wordt ‘bedrijfje erbij’ een nieuw instrument in hetzelfde debat over ruimte aan de randen van stad en dorp.  In de zienswijzen klonk bovendien door dat gemeenten behoefte hebben aan maatwerk en eigen afwegingen. Ook werden de regels voor ‘straatje erbij’ als te strikt ervaren.Functiemenging op campussen  De nieuwe term staat niet los van ander economisch beleid. In hetzelfde voorstel van GS staat dat de eind 2024 vastgestelde Ruimtelijk Economische Visie is verwerkt in het omgevingsbeleid. Ook zijn nieuwe regels opgenomen om de milieuruimte op bestaande bedrijventerreinen beter te benutten.  Op zwaardere terreinen moet de nieuwe vestiging van lichtere bedrijven worden beperkt. Verder wordt functiemenging mogelijk op campussen als Leiden Bio Science Park, TU Delft Campus en NL Space Campus.  De provincie herschrijft daarmee haar aanpak voor bedrijventerreinen op meerdere punten. Dat hangt ook samen met de nieuwe VNG-handreiking over milieuzonering.In de zienswijzen klonk zorg over die nieuwe systematiek, over risico’s voor bestaande terreinen en over te weinig uitbreidingsruimte in de onbebouwde ruimte. In reactie daarop zijn regels aangepast.  Tegelijk is ‘bedrijfje erbij’ daaraan toegevoegd. De term krijgt een plek in de Omgevingsverordening en wordt daarmee onderdeel van de regels waarmee de provincie richting geeft aan gemeentelijke omgevingsplannen.  Provinciale Staten nemen woensdag 3 juni 2026 een besluit over het voorstel.Lees het artikel ook op Stadszaken.nl

01-04-2026
Nieuws
Voormalige verffabriek aan de Schansweg transformeert naar groene woon- en werkwijk
Voormalige verffabriek aan de Schansweg transformeert naar groene woon- en werkwijk

Op de locatie van de voormalige verffabriek aan de Schansweg in Overschie-Oost komt een groene, levendige nieuwe buurt. Gemeente Rotterdam en projectontwikkelaar Wilma Wonen werken samen aan de ontwikkeling van een woonwijk met ruimte voor bedrijven. Het fabriekscomplex uit 1923 krijgt een nieuwe bestemming en wordt het middelpunt van de wijk.Het hoofdgebouw van het fabriekscomplex wordt opgeknapt. Het hoofdgebouw krijgt een nieuwe bestemming met waarschijnlijk bedrijven. De vleugels worden gesloopt en als woningen teruggebouwd. In het plan komen ongeveer 125 woningen (overwegend koop). Aan de zuidzijde wordt een appartementencomplex gemaakt. Hier komen middeldure woningen. Op de begane grond komt ruimte voor bedrijvigheid. In het plan is er in totaal ruimte voor 800 tot 1.000 m² bedrijfsruimte.Wethouder Chantal Zeegers (o.a. Bouwen en Wonen): “De Schansweg wordt een plek waar geschiedenis, wonen, werken en natuur mooi samenkomen. Binnen de wijk maken we het groen, gezond en klaar voor het klimaat. We zorgen voor genoeg parkeerplekken bij de snelweg, zodat het goed bereikbaar blijft. In het hart van de wijk is het juist rustig en autoluw, met veel aandacht voor duurzaamheid en natuur. Een mooie aanwinst voor Overschie!”AmbitiesDe gemeente Rotterdam en Wilma Wonen willen van deze nieuwe wijk een fijne plek maken voor iedereen. Daarom zijn zes uitgangspunten opgesteld die helpen bij het maken van de juiste keuzes. Het fabriekscomplex uit 1923 krijgt een nieuw leven. De wijk wordt een gemengde buurt waar wonen en werken samenkomen. Er is veel aandacht voor groen, zodat de omgeving prettig en natuurlijk aanvoelt. De nieuwbouw sluit aan bij het industriële karakter en is duurzaam. Ook komen er goede verbindingen met de omgeving. Tot slot wordt gezorgd voor rustig wonen, ondanks de ligging bij de snelweg.PlanningEr zijn twee participatiemomenten geweest. Omwonenden waren overwegend positief over de ontwikkeling. Na de vaststelling van de Nota van Uitgangspunten en ambities door de gemeenteraad, komt er een voorlopig ontwerp. Daarna wordt er verder gewerkt aan een definitief ontwerp. De geplande start voor de bouw is nu in 2029. Uiteindelijk is de verwachting dat nieuwe woonwijk rond 2031 gereed is. Meer informatie is te vinden op www.nieuwbouw-schansweg.nl

31-03-2026
Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Nieuws
Aanjaagsubsidie voor bedrijventerreinen in Flevoland
Aanjaagsubsidie voor bedrijventerreinen in Flevoland

Per 24 maart 2026 is de Aanjaagsubsidie Organiserend Vermogen Bedrijventerreinen opengesteld. Met deze subsidie wil provincie Flevoland de samenwerking op Flevolandse bedrijventerreinen versterken en ondersteunen. In totaal is er €418.000 beschikbaar. Goed functionerende bedrijventerreinen zijn de banenmotor van de regionale economie en de Flevolandse innovatiekracht. Het hebben van een goede organisatiegraad is daarbij cruciaal.Hoeveel subsidie kunt u krijgen?Bedrijvencollectieven kunnen maximaal €22.000 per aanvraag ontvangen. Met het beschikbare budget kunnen naar verwachting minimaal 19 aanvragen worden gehonoreerd. Voor deze regeling geldt geen co-financieringseis.Voor wie is de subsidie?De subsidie kan aangevraagd worden door bedrijvencollectieven. Dat hoeft niet een heel bedrijventerrein te zijn, maar kan ook uit een groep bedrijven bestaan die gezamenlijk een aanpak willen realiseren op een van de onderstaande thema's en zich daartoe moeten organiseren.Waarvoor is de subsidie?U kunt subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan een toekomstbestendig bedrijventerrein. Dat kan binnen de volgende thema's:Energietransitie inclusief gebiedsgerichte aanpak energiebesparing, netcongestie bij bedrijven en smart energy hubsDuurzaam watergebruik inclusief gebiedsgerichte aanpak waterbesparing bij bedrijvenCirculariteitKlimaatadaptatieBiodiversiteitWeerbaarheid tegen criminaliteit en ondermijningGedeelde (slimme) laadinfrastructuur of collectief aanbod van duurzame brandstoffen/energiedragersCollectieve vormen van vervoer van en naar een bedrijventerreinLooptijdDe regeling staat open vanaf 24 maart 2026 tot en met 2 maart 2027. Zo is er voldoende tijd om een aanvraag zorgvuldig voor te bereiden.Meer informatieWilt u meer informatie of wilt u bespreken hoe de subsidie aan te vragen. Neem contact op met Esther Veltman van Horizon.

24-03-2026
Nieuws
Stadseiland-Zuid in Utrecht klaar voor volgende stap naar gemengd en toekomstbestendig stadsdeel
Stadseiland-Zuid in Utrecht klaar voor volgende stap naar gemengd en toekomstbestendig stadsdeel

Stadseiland‑Zuid in Utrecht maakt zich op voor een grote verandering: van bedrijventerrein naar een gemengd stadsdeel waar ruimte is voor wonen, werken en recreëren. In de Programmatische Verkenning staat hoe deze ontwikkeling de komende jaren wordt aangepakt. Dit document vormt het startpunt voor de gesprekken met bewoners, ondernemers, de gemeenteraad en andere partners.Stadseiland‑Zuid heeft de potentie om uit te groeien tot een aantrekkelijk centrumgebied binnen Groot Merwede, met ruimte voor een stevige mix van wonen én werk. Naast de geplande meer dan 10.000 woningen ontstaat er ruimte voor circa 7.100 banen, variërend van maakbedrijven en creatieve ondernemingen tot maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Met de komst van de Merwedelijn, groene stadsstraten en het nieuwe oeverpark Rondje Stadseiland krijgt het gebied een compleet nieuw karakter.“De ontwikkeling van Stadseiland‑Zuid vraagt om dappere keuzes en een nauwe samenwerking met de ondernemers en bewoners die hier nu al actief zijn. We willen een gebied maken waar je prettig kunt wonen én werken, met voldoende voorzieningen en ruimte voor economische ontwikkeling,” aldus wethouder Schilderman (o.a. Ruimtelijke Ordening).Het gebied kent ook duidelijke opgaven om bestaande barrières om te zetten in gebiedskwaliteiten. Samen met het Rijk en regionale partners verkent de gemeente in vervolgonderzoeken maatregelen om deze uitdagingen aan te pakken, zoals alternatieven voor de verkeersafwikkeling en slimme oplossingen voor een gezondere en stillere leefomgeving. Deze opgaven maken onderdeel uit van de vervolgstappen.Groot Merwede en RijnenburgStadseiland‑Zuid vormt samen met o.a. Papendorp en Merwede het gebied Groot Merwede, dat tussen Utrecht Centraal en Nieuwegein ligt. Het is één van de grootste toekomstige woningbouwlocaties van Nederland. Samen met de ontwikkeling van Rijnenburg biedt dit gebied ruimte voor de groeiende behoefte aan betaalbare woningen, voorieningen én werklocaties.Het Rijk erkent deze landelijke behoefte: Groot Merwede/Rijnenburg is aangewezen als een van de 17 belangrijkste ontwikkelgebieden van Nederland, met een potentie van 63.000–75.000 woningen en 33.000–45.000 banen.Belangrijke schakel in de zuidwestelijke stadsontwikkelingStadseiland‑Zuid heeft door zijn centrale ligging een cruciale rol tussen Merwede, Papendorp en Rijnenburg. De Merwedelijn, de toekomstige snelle OV-verbinding, is daarbij een belangrijke randvoorwaarde om het gebied goed te ontsluiten voor zowel bewoners als bedrijven.VervolgstappenDe Programmatische Verkenning vormt de eerste stap in een meerjarig planproces. De inzichten worden verder uitgewerkt in een Uitgangspuntennotitie, een Omgevingsvisie en uiteindelijk een Omgevingsplan. De gemeente Utrecht gaat hierover in gesprek met bewoners, ondernemers, de gemeenteraad en andere betrokkenen. 

24-03-2026
Nieuws
Forse vraag naar werklocaties in Noord-Holland Noord
Forse vraag naar werklocaties in Noord-Holland Noord

De vraag naar bedrijventerreinen in Noord-Holland Noord neemt de komende decennia flink toe. Dat blijkt uit de provinciale behoefteraming werklocaties.Tot en met 2045 is in de Kop van Noord-Holland, West-Friesland en regio Alkmaar behoefte aan in totaal ongeveer 332 tot 468 hectare extra ruimte voor bedrijven. RuimtevraagDe totale ruimtevraag tot en met 2045 bestaat onder andere uit:158 tot 242 hectare uitbreidingsvraag voor groei van bestaande bedrijven;46 hectare vervangingsvraag door transformatie van bestaande terreinen, bijvoorbeeld naar woningbouw;130 tot 180 hectare extra ruimtevraag die bovenop de ‘gewone’ groei van bedrijven komt, vooral voor energie-infrastructuur en het maritieme cluster. Deze vraag concentreert zich vooral in de Kop van Noord-Holland.Vooruit kijkenNetcongestie is en blijft de komende jaren een grote belemmering voor uitbreiding en vestiging op bedrijventerreinen. Toch blijft een behoefteraming essentieel. In Noord-Holland Noord gebruiken de gemeenten de raming als basis voor het actualiseren van hun regionale afspraken over werklocaties. Bovendien kunnen nieuwe plannen alleen doorgaan als deze passen binnen deze afspraken én aansluiten bij de provinciale raming. Gedeputeerde Esther Rommel: “De behoefteraming laat zien dat scherpe keuzes nodig zijn over ruimtegebruik: de ruimte is schaars en netcongestie is een groot knelpunt. Dit maakt het des te belangrijker om als overheden samen vooruit te kijken: waar zetten we de schaarse ruimte voor in, en welke bedrijven of clusters zijn van strategisch belang voor de regio? We kijken bewust ver vooruit, naar de periode waarin uitbreiding weer beter mogelijk is.” Inzet van de provincieDe uitkomsten van de behoefteraming worden gebruikt bij het opstellen van de Omgevingsvisie en het Ontwikkelperspectief Noord-Holland Noord. De provincie Noord-Holland deelt kennis over onder meer het beter benutten van bedrijventerreinen, verduurzaming, bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. Ook ondersteunt de provincie verbeteringen met subsidies.Lees meerBehoefteraming kantoren Noord-Holland NoordBehoefteraming bedrijventerreinen Noord-Holland Noord

20-03-2026
Nieuws
OML zet samen stappen richting Energiegemeenschap Leudal
OML zet samen stappen richting Energiegemeenschap Leudal

Op 17 maart 2026 heeft de gemeente Leudal samen met de energie coöperaties Leudal Energie en Zuidenwind, Ontwikkelingsmaatschappij Midden-Limburg, De Limburgse Land- en tuinbouwbond en netbeheerder Enexis de samenwerkingsovereenkomst voor de Energiegemeenschap Leudal ondertekend. Daarmee is een belangrijke stap gezet richting een lokaal en toekomstbestendig energiesysteem voor inwoners en bedrijven. Namens het college van burgemeester en wethouders ondertekende wethouder Michel Graef de overeenkomst.In het coalitieakkoord 2022-2026 is afgesproken dat de gemeente onderzoekt hoe zij meer regie kan nemen op lokale energievoorziening. De energiegemeenschap is daar een concrete uitwerking van. Het doel is duidelijk: betrouwbare en betaalbare, hernieuwbare energie voor inwoners en bedrijven in Leudal. Energie die zoveel mogelijk lokaal wordt opgewekt én lokaal wordt gebruikt.Opbrengsten naar gemeenschapWethouder Michel Graef: “Met deze samenwerking zetten we een belangrijke stap naar meer lokale zeggenschap over onze energie. We doen dit samen met onze partners én met onze inwoners. Zo zorgen we ervoor dat duurzame energie betaalbaar blijft en dat de opbrengsten ten goede komen aan onze eigen gemeenschap.”Wat is een energiegemeenschap?Een energiegemeenschap is een samenwerking van inwoners, lokale organisaties en, waar passend, de gemeente. Samen wekken zij duurzame energie op, bijvoorbeeld via zon, wind of groen gas. Die energie kan vervolgens lokaal worden gedeeld. Dit gebeurt zonder winstoogmerk. De prijs is gebaseerd op kostprijs en is eerlijk en transparant voor de leden. Sinds 1 januari 2026 biedt de nieuwe Energiewet ook de wettelijke mogelijkheid om energie lokaal met elkaar te delen.Ervaring in Ell en HeibloemIn de dorpen Ell en Heibloem wordt al sinds april 2025 gewerkt aan pilotprojecten. Inwoners zijn daar actief betrokken in projectgroepen, samen met energiecoöperaties zoals Leudal Energie en Zuidenwind. De ambitie is om lokaal opgewekte energie ook lokaal te benutten en te werken aan toekomstbestendige, aardgasloze dorpen. In januari 2026 zijn deze projecten bovendien door de provincie Limburg aangewezen als voorbeeldprojecten.Samen bouwen aan de toekomstMet het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst spreken de betrokken partijen uit dat zij gezamenlijk verder bouwen aan de Energiegemeenschap Leudal. In een later stadium worden ook inwoners en bedrijven uitgenodigd om aan te sluiten. De formele oprichting van de Energiegemeenschap Leudal staat gepland voor het eerste kwartaal van 2027. Tot die tijd wordt in de pilotdorpen verder gewerkt aan concrete projecten.

18-03-2026

KENNISARCHIEF

Aanmelden nieuwsbrief